Tekst Hans Altenburg

Woorden bij de uitvaart van Annet Sinnema, Meppel 6 februari 2010

Beste Henri, Martin, Monique, Michelle, Madelon. Beste familie, vrienden, allen die zich met Annet verbonden weten.

Het gebeurt vaak dat je als verpleeghuis, het Leendert Meeshuis in Bilthoven, kinderen, familie op bezoek krijgt die namens of voor hun dierbare een plekje zoeken omdat een verpleeghuis helaas de enige plek is waar men kan verblijven. Zoveel zorg is er nodig.
Het gebeurt niet vaak dat je als verpleeghuis een partner en kinderen op bezoek krijgt, die zeggen: mijn vrouw, onze moeder heeft gezegd: als mij ooit wat mocht overkomen, dan wil ik naar een antroposofische zorginstelling. Terwijl er helemaal niets is wat er op het moment van de uitspraak op wijst dat het al op deze korte termijn nodig is.

En zo kwamen jullie eind 2008 met z’n vieren naar Bilthoven om na te gaan of jullie unaniem konden besluiten om Annet helemaal vanuit Drenthe naar Bilthoven te verhuizen. Omdat jullie niets anders wensten dan haar opmerkelijke uitgesproken levensregie te volgen. De levensregie van een vrouw halverwege haar leven vol plannen en idealen, wat haaks lijkt te staan op een vreemde zelfs wrede regie die zich uitte in het noodlottige ongeluk.
Jullie maakten kennis met het Leendert Meeshuis en besloten: Annet gaat daar naar toe. Zo kwam ze begin 2009 naar ons huis.

Waarom zegt een mens: als het ooit nodig is, dan wil ik naar een antroposofische zorginstelling? Waarom zou je iets willen met antroposofie?
De ideeën spreken je aan, ze intrigeren je, je zet je ermee uiteen, je herkent ze in jezelf, in je eigen levenservaringen. Of misschien spreekt de sfeer je simpelweg aan, je voelt je er thuis, je hebt gehoord dat men de menselijke en persoonlijke benadering zo hoog in het vaandel heeft staan.

Het heeft in wezen te maken met de belangrijke vraag: wie is de mens? Welk beeld heb je over het menselijk bestaan, binnen welk perspectief kijk je naar de existentiële levensvragen en wat voor consequenties heeft dat voor je handelen. Welke consequenties zijn er vanuit je mensvisie voor de zorg en behandeling zoals je die bijv. in een verpleeghuis als het Leendert Meeshuis aanbiedt? Op deze vragen worden hele verschillende antwoorden gegeven door wetenschap, religies en levensvisies, zoals ook de antroposofie dit is.

De antroposofie spreekt over een fysiek lichaam vol levenskracht, drager van bezield leven, waarin je je uitdrukt door datgene wat je denkt, voelt en wilt, en dat geregisseerd wordt door een geestelijk en eeuwig aspect. En hoewel je vele verbindingen hebt in het sociale, je bent uniek, enig, en hebt een eigen levensweg te gaan. De eigen levensweg draagt bij aan de ontwikkeling van de mensheid als een geheel.
Als mens ben je van geestelijke oorsprong; je bent een uniek geestelijk wezen in ontwikkeling, bouwend aan jezelf en aan de gemeenschap. Een ontwikkeling tot aan en zelfs over de drempel van de dood heen.
Als een vrouw als Annet in ons verpleeghuis komt, dan weet je dat je zeer veel tijd bezig bent met fysieke verzorging en technische handelingen. Maar het is ingebed in het bewustzijn, dat je meer bent als je tekorten, als je functionele beschadigingen. Er is een deel in jou wat uniek en onbeschadigd is. Hier probeer je zicht op te krijgen door observaties, intuïtie en informatie van de naasten. Zorg verlenen wordt dan zorg voor lichaam, ziel en geest.
Ik kan niet anders dan het zeer onvolledig op dit moment met deze woorden aanduiden; het omvat zoveel meer. Daarom wil ik nu proberen gebruik te maken van beelden voor een andere benadering.

Het eerste beeld wat ik gebruik, zit in de prachtige afbeelding die jullie gekozen hebben voor haar overlijdensaankondiging. Ik noem het maar het beeld van het meisje, dat sterrenlicht verzamelt in haar schoot. Zo open en ontvankelijk als ze is, weet ze waar ze het sterrenlicht kan vinden, en dat ze het zelfs kan verzamelen. Ze beseft dat omdat ze ergens weet dat ze zelf afkomstig is uit die sterrenwereld, beeld van haar geestelijke oorsprong. Ze verzamelt het sterrenlicht om er op haar eigen manier mee aan de slag te gaan, om geïnspireerd en bezield te leven. Ze transformeert het sterrenlicht en schenkt het aan de aarde in haar gedachten, voelen en handelen. En als ze daarmee klaar is, gaat ze verrijkt met haar aarde-ervaringen zelf terug naar die sterren, wordt ze zelf als een ster aan het firmament.

Het tweede beeld dat ik wil gebruiken, is verwoord in een gedicht van Andreas Wijgmans, ‘Doortocht’ genaamd.

Doortocht

Vogels zijn wij,
vogels met vleugels,
geweldige wieken,
wijd gespreid,

de ene: verleden,
de andere: toekomst,
wijzelf in het midden:
een punt in de tijd;

in bloedstroom en luchtstroom
wordt hartslag tot wiekslag,
verbindende tijd
en eeuwigheid

Het gedicht spreekt over een punt in de tijd, nu: zaterdagmiddag 6 februari in de aula van dit uitvaartcentrum. Wij zijn hier bijeen, denkend aan, misschien beter gezegd: verwijlend bij Annet die over de drempel van de dood is gegaan.

Ik realiseer me mijn verleden, wat van mij is, dat wat met me meegaat. Ik open me voor mijn toekomst, naar dat wat op me af gaat komen en waar ik mede vorm aan geef….
Dit alles komt samen in dat ene moment, het nu.
In het heden zijn het de vleugels van verleden en toekomst die mij gaande houden, mij maken tot wie ik nu ben. Zij brengen en houden mij in de lucht. Ik moet hier zelf actief in zijn, ik mag me ook laten meevoeren op de stromen die mij omringen.
En al die afzonderlijke momenten van heden, al die punten in tijd, ze vormen samen een spoor, mijn spoor in de ruimte.

In het heden kruist mijn spoor dat van een ander; een ander met een eigen verleden en een eigen toekomst, een eigen spoor in de ruimte.
En we vliegen samen, er ontstaat zoiets als een vleugel van óns verleden, dat wat we gedaan hebben, waaraan we gebouwd hebben. Vleugel van een onzichtbaar maar tegelijkertijd substantieel weefsel.
We hebben ook een toekomst, een andere onzichtbare vleugel die opgebouwd is uit onze plannen en wensen, onze idealen, maar ook de onvermijdelijkheden die we moeten dragen.

En hoe we samen vliegen, samen zijn in die ontmoeting, het is zo divers. Denk aan de verfijnde synchrone bewegingen van de zwanen, de extreem beweeglijke zwermen van de spreeuwen, de solistische reigers.
Er zijn vleugels die 25x per seconde bewegen, er zijn vleugels die met rustige en machtige slagen de warme luchtstromen opzoeken….
Beelden uit de natuur waar je jezelf in kunt herkennen. Spiegelmomenten van wie jezelf bent, spiegelingen van de ontmoeting.

Sporen kruisten zich in een heden, maar sporen gaan uiteen. Afscheid nemen, een moment in het heden; afscheid nemen, het wordt tot verleden; het gezamenlijke in het heden, in ons gezamenlijke spoor houdt op. Nog steeds is er een vleugel van het verleden, maar het heden wordt nadrukkelijk weer mijn heden.
En de vleugel van de toekomst, beweegt zij nog, is zij er nog?

Duidelijk is wel dat het afscheid, het sterven van de ander, van Annet, de begrippen verleden, heden en toekomst in een ander perspectief plaatst. Het gedicht spreekt van Tijd en Eeuwigheid….

Er treedt een verschuiving op. De gelijktijdigheid in het samen zijn, het samen leven, het wordt tot ongelijktijdigheid, een uitgestelde nieuwe ontmoeting. Waren we in de ontmoeting gelijktijdig lotgenoten, lotgenoten met een hart- en wiekslag, met een spoor in de ruimte, het sterven van onze naasten en dierbaren leidt tot een uitgestelde nieuwe ontmoeting.

Terug naar het beeld van de vogel met haar wiekslag, een beeld waar we het menselijk perspectief aan kunnen aflezen. Het bijzondere is dat een vogel nadrukkelijk de ruimte kiest, niet gebonden is aan een aan het platte vlak gebonden perspectief. In de lucht is het bijna de ideale positie om terug te kijken op het verleden, en uit te kijken naar de toekomst. Is het de ideale positie om je te oriënteren op de hemellichten van maan en zon, van de sterren.
Met dit ruimte beeld van een grote externe wereldruimte voor ogen, wil ik jullie uitnodigen om stil te staan bij onszelf, bij onze mogelijkheden als mens, we zijn immers geen vogels….
Dat andere verstaan van verleden, heden en toekomst kan plaatsvinden in die grote wereldruimte van ons innerlijk. Alles wat gezegd kan worden over verleden, heden en toekomst, over onze sporen in de ruimte, in de fysieke ruimte, het kan ook – als een soort omstulping van die uiterlijke ruimte – gezegd worden over onze innerlijke ruimte, waar Tijd en Eeuwigheid op een nieuwe manier nadrukkelijk aanwezig zijn.

In die innerlijke ruimte van onze ziel, van onze geest, staan we stil bij Annet die over de drempel van dit aardse leven naar de geestelijke wereld is gegaan. Staan stil bij haar wezen, bij het wezenlijke waar we in ons samenleven en samenwerken aan gebouwd hebben. Los van alle aardse beslommeringen, losser al van de vormen die nodig waren. In die verstilling en loskomen van vormen en het waarnemen van de nabije en veranderende herinneringen, schuilt een Ruimte, waarin we innerlijk kunnen oproepen wat ons met Annet verbindt.

In deze ruimte delen we niet alleen een gemeenschappelijk verleden, maar ook een vernieuwd heden, ons heden, opnieuw. We bouwen verder, de vleugel van de toekomst komt weer in beeld….
We hebben een open hart, luisteren naar de wiekslag van 2 onzichtbare vleugels, zien nu opnieuw de hemellichten van maan en zon, van de sterren.

Want, wij, degenen die nu leven en Annet die over de drempel van de dood naar een geestelijke wereld gegaan is, we delen de ruimte van de geest, kunnen elkaar daarin ontmoeten.

We betreden de innerlijke ruimte en noemen haar naam: Annet

Leave a Reply